II GEKWEBBEL MET EEN GLAASJE RANJABIER
De drie kinderen en de juf liepen met de kapers mee naar een hangar op het vliegveld. De hangar was een groot grijs gebouw met een bolle overkapping. Eromheen stonden bossen en een paar verroeste vliegtuigen. Dit bleek het hoofdkwartier te zijn van de Kletskoekiestaanse rebellen. In de hangar was het een rommeltje van stoelen, tafels, landkaarten, boeken en sjoelbakken. De drie kinderen en de nepkapers namen plaats rondom een grote tafel in het midden van de hangar. De neppassagiers bleken rebellensoldaten en gingen aan de zijkanten van de hangar zitten kaarten of uitrusten. Er werd veel gegaapt. Een enkeling grinnikte nog om de grap van de kaping. Juf Zwartmuts ging op een bankje liggen want ze was niet lekker geworden van al dat flauw vallen. De kinderen kregen de lokale drank voorgeschoteld. Dat leek op bier. Toen Dik zei dat hij geen bier mocht drinken, zei de ex-hoofdkaper dat hier alles mocht. Dik proefde voorzichtig. Het was ranja met een schuimkraagje. Het was tijd voor iedereen om zich voor te stellen. De kinderen en de juf deden dat het eerst. Toen de rebellen. De ex-hoofdkaper heette Vasilij. Hij wees naar de andere twee kapers, die Doftojefki en Toejstoel heetten. Gedrieën waren ze de leiding van de Kletskoekiestaanse rebellen. Dat was niet zo heel bijzonder, lichtte Vasilij toe. Ieder jaar werden de drie leiders via een loting aangewezen want Kletskoekiestaners meenden dat iedereen kon leidinggeven. Dit jaar waren zij toevallig aan de beurt. Jojanneke was meteen weg van deze Vasilij. Hij had een slank gezicht, een rank lichaam, en leek niet eens te weten dat hij knap was. Hij dronk zijn glas met een pink in de lucht gestoken. Dat verraste haar. Bij rebellen had ze schurken voorgesteld die hun glazen opaten (en die dan wel om de haverklap naar het ziekenhuis moesten). - Waarom hebben jullie ons gekaapt? opende ze het gesprek. - Wij hebben jullie gekaapt, omdat wij aandacht willen voor onze situatie, zei Vasilij somber. Wij Kletskoekistaners worden bezet door de grote legermacht van dictator Gerasimov Gerasimets. Hij wil niets weten van onze eeuwenoude vrolijke cultuur. Alles draait om hem. Ons volk heeft geen rechten. Daarom zijn we in verzet gegaan want iedereen wil rechten hebben. Dat verzet leiden we vanuit dit vliegveld. - Wat kunnen wij doen? vroeg Jojanneke. - Wij denken, zei Doftojefki, dat u ons misschien kunt helpen, en daarom hebben wij u een beetje ontvoerd. - Hoezo een beetje, reageerde Toejstoel, je ontvoert iemand helemaal of niet. - Of je moet degene door midden snijden, sprak Vasilij peinzend, en de ene helft laten staan. - Je kunt beter zeggen, zei Toejstoel, we hebben u bijna ontvoerd. - Dan is het mislukt, zei Doftojefki. Vasilij zei: - Het was een ontvoering die veranderde in een lift geven. De drie gaven elkaar hi-fives. Ze hoorden meisjesvingers op het tafelblad trommelen en werden weer stil. - Kan iemand nog vertellen wat onze rol is? vroeg het meisje bij wie de trommelende meisjesvingers hoorden. Vasilij zei: - Wij hopen dat jij de dictator kunt weg krijgen. - Ik ben maar een klein meisje... stamelde ze verlegen. - Mevrouw Jojanneke... zei Vasilij smekend. - Gewoon Jojanneke alsjeblieft, zei ze. - Mevrouw Gewone Jojanneke alsjeblieft... zei Vasilij smekend. - Nee, sufferd, zei Toejstoel, zonder gewoon. - En ook zonder alsjeblieft, zei Doftojefki. - Maar wel met een naam, zei Jojanneke. - Ik moet het toch vriendelijk vragen? vroeg Vasilij. - Kunnen we haar niet beter een codenaam geven, vroeg Doftojefki, zoals FF4343TT.kl? Vasilij en Toejstoel staarden hem aan, daarna elkaar, daarna hem, en vroegen tegelijkertijd: - Hoezo punt kl? - Een internetnaam, zei Doftojefki. - We hebben hier geen internet, zei Vasilij. - En geen internetadressen, zei Toejstoel. - Niet eens computers, merkte Ramon op. - Dat maakt de codenaam alleen maar geloofwaardiger, zei Doftojefki. Daar dachten ze over na. Ze werden uit hun overpeinzing gerukt toen ze dezelfde meisjeshand als eerst weer op de tafel hoorde trommelen. - Wat... willen... jullie... ons... vragen...? zei Jojanneke. - Wil je onze legerleider worden? zei Vasilij. - Leuk! zei Ramon. - Ga met je autootjes spelen, zei Jojanneke, oorlog is niet iets voor jongens. Schoorvoetend verliet Ramon de hangar. Dik liep schoorvoetend met hem mee. Schoorliggend in het zonnetje dook Ramon in zijn autoblaadje en Dik in zijn atlas. Nieuw ranjabier werd geserveerd. De vier klonken hun glazen en daarna sipten ze ervan. - Hebben jullie al plannen? vroeg Jojanneke. - Ja, zei Vasilij. Dictator Gerasimov Gerasimets heeft een generaal, Igor Oreganov, een zeer kundig man. Hij weet zich alleen geen raad met vrouwen. Nauwelijks verstaanbaar vervolgde hij: - Ons plan is dus dat jij de macht van zijn kamp overneemt. De drie leiders begonnen alledrie tegelijkertijd heel vals een stuk van het Kletskoekiestaanse volkslied te neuriën terwijl ze staarden naar de tl-buizen in de hangar, waar vliegen en motten de hele tijd kopstootjes tegen gaven. - Hallooo! zei Jojanneke. Ze hielden op met neuriën en keken haar aan. - Ik ben nog geen twee uur op deze bodem, zei ze, en ik moet mijn leven wagen voor jullie! Toejstoel zei: - Hmm... daar heeft ze wel een punt. Hoe zit dat precies, Vasilij? - Het zit zo, zei Vasilij, ons legertje is kansloos tegen Gerasimov Gerasimets. De enige zwakke plek is die generaal. Ons enige geheime wapen ben jij want jij durft heel veel. Ze keken het meisje aan. Dat was aan het peinzen geslagen. Toen ze daarmee klaar was, zei ze: - Dood gaan we toch allemaal wel, goed, ik doe het. De drie kapers brulden het uit, en daarna alle soldaten in de hangar, en daarna begonnen de honden te blaffen, en daarna de vogeltjes te tsjilpen, en daarna de bladeren van de bomen te ritselen. Daarna keerde de rust terug, Vasilij trakteerde op een rondje ranjabier en zei: - Geen zorgen, we zorgen voor goede steun. - Mag ik die zelf uitkiezen? vroeg Jojanneke. - Natuurlijk! - Dan kies ik jou. - Mij? zei Vasilij verbaasd. - Ja jou. - Mij dus? - Is dat nu nog niet duidelijk? - Het gedeelte dat mij eist, is wel duidelijk, dat ben jij, maar dat gedeelte dat over mij gaat, begrijp ik nog niet helemaal. Bedoel je niet een van mijn maten? Jojanneke zweeg. - Nou goed, zei Vasilij schouderophalend, als jij het wilt. *** Jojanneke en Vasilij vertrokken. Ze werden door iedereen uitgezwaaid. Juf Zwartmuts was niet krachtig genoeg om zich tegen het plan te verzetten, bovendien was dat toch kansloos, met een meisje als Jojanneke. Doodstil waren de naaldbossen waar de twee doorheen liepen. Het rook er naar kerst. Hier en daar tsjilpte een vogel, kraakte een tak, maar daar hield het ook mee op. Tweemaal sprong een eekhoorn voor hen langs. Het pad was lang en rechtdoor. Vasilij werd af en toe afgeleid door vlinders. Jojanneke raakte vermoeid en ze zei dat ook. - Goed, zei hij, dan draag ik je wel. Jojanneke kon haar doorgaans zo pientere brein wel een klap geven. Waarom was ze hier niet eerder op gekomen? Ze klom op zijn rug. Hij zwoegde voorwaarts. Ineens besefte ze dat hij nu de pukkel op haar voorhoofd goed kon zien. - Vasilij, heb je last van die pukkel? - Je moet echt over bovennatuurlijke krachten bezitten, zei hij. Hij zit bij mijn dijbeen en doet vaak pijn. - Ik bedoel die ene op mijn voorhoofd. Hij stopte met lopen en keek langs zijn schouder in haar gezicht. Zij staarde bedwelmd terug in de zijne. Hij liep door, kreunend. - Ik loop voor gek, zei ze, zeg het maar. Hij wiste zweet van zijn voorhoofd aan zijn mouw. - Voorlopig ben ik de enige die loopt. - Wees nou eerlijk! riep ze uit. - Alsjeblieft, zei Vasilij smekend, je ziet er hartstikke goed uit! Mozarts deuntjes noch de allerlekkerste Belgische chocolade hadden niet tegen deze woorden opgekund. Ze sloot haar ogen en liet zich hangen tegen Vasilij’s schouders. Dat was zo prettig dat ze in slaap viel. Na een poos werd ze wakker omdat Vasilij haar op de grond zette. - We zijn er, zei hij puffend. Achter deze bosrand is het legerkamp. Ze wreef in haar ogen. Ze zag inderdaad een bosrand. Vasilij keek ongemakkelijk om zich heen en zei ten slotte: - Nou, ik moet maar eens gaan. - Laat je mij alleen? - Ik heb toch beloofd om je te helpen. - Ik bedoel eh... Ja, dacht ze bij zichzelf, wat bedoelde ze eigenlijk? Ze voelde zich raar, onvast. Ze zei tegen zichzelf dat ze niet zo gek moest doen. Toen deed ze niet zo gek meer. Ze stonden zo een beetje onnozel naast elkaar totdat Jojanneke zei: - Goed, ik ga die generaal wel gek maken. - Kijk je wel uit? zei Vasilij. Zo vrolijk als wij zijn, zo hard zijn zij. - Ik ben bang dat de pukkel op mijn neus groter wordt of dat de hemel op mijn hoofd valt, zei Jojanneke plechtig, meer angsten heb ik niet. Vasilij keek haar aan of ze gek was geworden. Hij besloot daar niet over te piekeren en zei dat hij nu echt ging. Ze vroeg of hij niet bijvoorbeeld nog zijn veters moest strikken. Hij staarde naar zijn schoenen. Zijn veters waren niet eens naar Kletskoekiestaans gebruik aan elkaar gebonden. - Ga maar, zei ze zachtjes. Ze keek hem lang na toen hij vertrokken was. Haar gedagdroom verbaasde haar. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit een jongen zo leuk had gevonden. Daar was wel eens Joep geweest, de knikkerbink. Maar hij wist niet wat een Ocelot was. Een beetje persoon kent alle roofkatten uit zijn hoofd. Dat ze die zelf pas onlangs wist, maakte niet uit. Ze wilde hem achterna rennen en de liefde verklaren. (Ze vroeg zich ineens af hoe: een papiertje geven met het woord Liefde? Heel hard knipogen? Op zijn tenen gaan staan?) Ze bedacht zich dat ze meer indruk op hem zou maken door de strijd aan te gaan. Bij het legerkamp nam ze niet de moeite om op ingewikkelde manier binnen te dringen. Ze klopte gewoon aan.
|
||
[1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8]
|
||
Site en teksten: © Desatiricus.nl, 16 oktober 2007 / 13@desatiricus.nl |