|
MIJN HUIS IN EMIGLIA-ROMAGNA
EEN - Ja, mevrouw, zei Silvio, die was maakt de vloer wel mooier, maar mij niet! Wat een heerlijke Emiglia-Romaanse man! Terwijl Silvio verderging met zijn klus, gingen wij naar een wijnproeverij. Bij het welkomkussen perst Pietro Senzalavertia me bijna fijn. John en ik weten intussen dat deze begroeting normaal is onder de mensen uit Emiglia-Romagna. We proeven op zijn bordes zijn beroemde witte wijn. Die is gemaakt van pagadebit. Zijn wijn stond hij tussen rosé's. De geest van de rosé zou terecht komen in de witte wijn, zo zei Pietro. Hij noemde zichzelf een spirituele wijnhandelaar. Wat een heerlijke vent toch, die Pietro (zoals wij hem intussen mogen noemen)! Als we de wijn willen proeven, laat hij tot mijn verbazing er een chocoladekoekje in vallen. Hij kijkt op zijn klokje. Na een minuut haalt hij het koekje eruit en eet het zelf op. - Moet je nu eens proberen, zei Pietro. En God, ja hoor, weer zo'n geheim uit deze streek. Wat een verrukkelijke smaak! Wat een heerlijke, verrukkelijke, gekke vent! Een man komt binnen, koopt achteloos vijftien dozen, vertrekt. Ik koop er zestien, en een doos chocolaatjes, die behoorlijk prijzig is. Pietro wil me een doos wijn gratis wil geven. Die weiger ik resoluut. Thuis ontdek ik dat we vier dozen te kort komen. Ik bel hem op maar Pietro is net voor boodschappen vertrokken naar de stad. Zijn vrouw zegt dat hij pas over een paar dagen terug is. Silvio heeft twee meter vloer gewast, wat voor zijn begrippen behoorlijk is. Daarbij heeft hij schaamteloos twee dure rode verduzzo's geconsumeerd, maar ik maak daar geen punt van, zo gaat dat hier, gekke mensen.
TWEE Niet veel later zitten we weer in onze landrover want we gaan naar de trattoria in Vendozabiorre, waar Pietro ons op getipt heeft. Onderweg passeren we een peccorino-boerderij. Daar kan ik natuurlijk niet zomaar voorbij rijden! De eigenaresse van de kaasboerderij is mevrouw Gico, een alleraardigst en pittoresk dametje van zesenzeventig, nog steeds kwiek ter been. Ze geeft haar kleindochter van twaalf de opdracht een stuk peccorino voor te schotelen. Ik wil er een hap in zetten, maar mevrouw Gico houdt me ineens tegen en snuffelt aan de kaas. - Oh, wat een kreng. Ze geeft het kind een paar oorvijgen. Ik wil me niet mengen in lokale gewoonten. Dan voel ik me de rijke westerling die het wel beter weet en... weet ik het wel beter? Ze brengt nieuwe pecorino. - Het kind had geverfde schapenkeutels opgediend. John en ik flink lachen natuurlijk, mevrouw Gico schudt haar hoofd. Typisch dat de verse pecorino wel naar schapenkeutels smaakt. Ik kom er nauwelijks doorheen. John en ik zeggen gedag en vertrekken. Weer wat verder komen we een druivenverkoper tegen. Langs de weg staat hij zijn druiven te slijten. Hij kijkt glazig uit zijn ogen. Ik heb medelijden en bestel drie trossen, die je hier kunt kopen voor een prijs waar je in Boston nog geen drie druiven voor krijgt. Tot onze verbazing trekt hij zijn broek omlaag en begint hij over de druiven te plassen. Daarna doet hij ze in een zak. Hij geeft de lekkende zak aan ons en wil zich aan de volgende klant wijden, een jongeman. Ik vraag hem waarom hij de druiven onder plast maar zijn dialect is onverstaanbaar. De andere klant legt ons uit dat druiven op zuurbasis van mannenurine twee jaar bewaard kunnen blijven buiten de koelkast. Alleen de urine in deze streek is sterk genoeg. Zodoende plassen alle druivenverkopers in Emiglia-Romagna over hun druiven en denken die van Piemonte er niet aan om zoiets te doen. Wat een heerlijke inventieve mensen! Wel wat vreemd dat de man aan de druivenverkoper expliciet vraagt niet over de zijne te plassen. In de trattoria in Vendozabiorre, een gehucht met vierhonderd inwoners, staat een man te bedienen waarvan je zou zweren dat het Pietro, onze wijnhandelaar is. We krijgen pappardelle al ragú di lepre voorgeschoteld. De naam is mooi, maar het vlees is taai en bitter. We geven toch een fooi. De Emiglia-Romagna's zijn nu eenmaal erg gevoelig voor fooien, hebben we gemerkt. Als je dat niet doet, gaan ze heel hard zingen. Dat heb je echt liever niet. Thuis ligt Silvio weer te slapen op de bank. Dat is dan al weer de derde keer deze week dat we hem zo aantreffen. John is erg boos maar Silvio zegt dat het in deze streek een blijk van waardering is als mensen op je bank gaan slapen, en hij gaat gewoon verder. Ik neem John mee naar onze tuin en zeg tegen hem: - John, je hebt hier een huis gekocht en je moet niet verwachten dat het dan makkelijk wordt. Thuis gaat ook niet alles van een leien dakje. We zijn hier gekomen om in een andere wereld te leven, nou, wat een verrassing, die is echt anders. - Je hebt gelijk. - Het is allemaal best wel een schok en dat moet je een plaatsje geven. - Ik moet het een plaatsje geven inderdaad. Ook al zit het dak nog niet op het huis, missen we nog tweeëntwintig ramen, doen we nog steeds onze behoeften in het bos; we beleven ontzettend intense momenten. Misschien wel omdat we echt moeten vechten voor het huis. 's Avonds eten we brood met gorgonzola, waarvoor Silvio zich met zijn vriendin als vanzelfsprekend heeft uitgenodigd. Dat is aardig maar in het contract staat dat hij zelf zijn eten zou meenemen. Daarom zei ik hem vriendelijk dat dit de laatste keer was dat hij kan mee-eten. Ach, die heerlijke, gekke Silvio! In plaats van boos te worden, geeft hij me een omhelzing! ' s Avonds geef ik ook aan dat dit de laatste avond is dat hij bij ons kan blijven slapen. We snappen best dat de Emiglia-Romagna'ers er niet moeilijk over doen, maar wij houden er gewoon niet zo van. Ook dan: omhelzing, tranen, 'had dat toch eerder gezegd'!
[1] [2]
|
|