header004
 
 

roman satiricus

 

III DE MONUMENTEN DRUPPELEN BINNEN

De klas zat op het pleintje broodjes pindakaas te eten. Om hen heen liepen journalisten zich te vervelen want er was even niets te doen. Ze waren net weggestuurd door de politie van café Pleinzicht omdat enkelen op het dak via de schoorsteen geluidsopnamen probeerden te maken.

Jojanneke viel tegen de schouder van de juf in slaap. Juffrouw Zwartmuts kroelde door haar haren en dacht na over haar favoriete leerlinge. Het meisje was zo anders dan haar leeftijdsgenoten. Het was niet zo dat ze lessen moest volgen op een grote school voor magiërs. Ze was ongewoon op een gewonere manier. Als klasgenoten krijtjes gooiden, staarde Jojanneke naar buiten. Als ze met elkaar ruzieden over snoep, was zij aan het lezen. Als ze flauw deden over knikkers, zei Jojanneke dat ze moesten nadenken over varkens en kippen in de bio-industrie. Jojanneke was onbeïnvloedbaar, iets wat juffrouw Zwartmuts bewonderde, want zelf paste ze zich altijd aan in een razend tempo.

In het rapport over Jojanneke had ze geschreven: 'Jojanneke luistert naar niemand. Ik weet niet of dat goed of slecht is maar ze is in elk geval een wijs kind waar ik ook nog wat van leer.'

Ze leerde moedig zijn van het meisje. Maar dat was wel lastig. Dat moet in je zitten. En dat zit het bij haar niet. Net als een dag ervoor, om een uur of zeven in de avond, toen ze samen met het hoofd van de Sint Agnietenschool, mevrouw Rossolini, dus de moeder van Jojanneke, het beveilingsalarm aanzette en de voordeur sloot.

- Ik weet toch niet of het een goed idee is om morgen naar Parijs te gaan, zei juf Zwartmuts.

- Waarom niet, Bea?

- Nu de Eiffeltoren levend is geworden, is dat niet gevaarlijk?

- Mij lijkt het juist enig voor de kinderen.

- Maar...

- Maar wat?

- Ik weet het niet.

Wat juf Zwartmuts eigenlijk wilde zeggen, was dat zij het zelf eng vond. Dat zei ze niet en ze zweeg er verder over.

- Wat een lelijkerd is het toch, haalde Jojanneke – kennelijk wakker geworden – de juf uit haar overpeinzing.

- Wie? vroeg de juf.

- Dat stuk staaldraad.

Ze wees naar de Eiffeltoren die met metalen knuistjes zijn oren beschermde tegen gillende leerlingen.

- Hij is zo ijdel.

- Zijn we dat niet allemaal?

- Ik weet zeker dat de scheve toren van Pisa minder ijdel is.

Er kwamen steeds meer journalisten en nieuwsgierigen op het plein. Kinderen die in het klimrek speelden, werden weggejaagd omdat de journalisten plaats nodig hadden voor hun apparatuur.

Opeens voelde je een soort deining door de lucht die ook terechtkwam op het bankje van de klas van juf Zwartmuts. Het geroezemoes bleek een nieuwtje. Dat luidde: de Big Ben-toren bleef liever in Londen. Het nieuwtje deinde langzaam verder tot het verdwenen was.

En toen kwam heel plotseling uit een zijstraat het lichtgroene Vrijheidsbeeld tevoorschijn. Ze zwaaide met haar toorts en mensen klapten zo hard ze konden. De sierlijke dame liep op de Eiffeltoren af, vergezeld van honderden journalisten die dit historische moment niet wilden missen. Badend in een zee van flitslicht. schudden de twee monumenten elkaars handen.

- Aangenaam, zei het Vrijheidsbeeld.

- Ook zo, zei de Eiffeltoren.

Er kwam een einde aan het handenschudden en nu werd het Vrijheidsbeeld bedolven onder de journalisten. De vraag was hoe groot ze haar kansen inzag.

- Best groot.

- Kunt u dat toelichten?

- Ja maar nu even geen zin in. Prettig om weer op mijn geboortegrond rond te lopen. Dank u.

Ze vertrok samen met de Eiffeltoren naar het terras van café Pleinzicht. Vrijwel meteen kwamen het Dam-monument uit Amsterdam en het Atomium uit Brussel het plein opgeschuifeld. Ze leken overrompeld door alle aandacht.

- Hoe denken jullie de anderen te verslaan? vroeg een journalist aan hen.

- Waar hebben jullie het over? vroeg het Dam-monument.

- Het is een wedstrijd, zei een andere journalist, aan een wedstrijd doe je mee om te winnen.

- Waarom niet om te verliezen? vroeg het Atomium.

- Wij verslaan deze wedstrijd waarbij jullie...

- Jullie verslaan ons? vroeg het Dam-monument verbaasd.

- Waarom doen we dan nog mee? zei het Atomium. Kunnen we beter weer naar huis gaan. Kom Dam, ik heb slaap.

- Jullie doen mee aan deze pot, zei een verslaggever, en die...

- Stamppot! Waar? riep het Dam-monument verlekkerd uit.

- Bij café Pleinzicht, zei de journalist vermoeid.

Terwijl ze erheen liepen, vroeg het Atomium aan het Dam-monument:

- Wat is stamppot?

- Aardappelen, andijvie en spekjes, fijngestampt. In Nederland pletten wij onze maaltijden. Dat eet makkelijker.

- Ook broodbeleg? vroeg het Atomium.

- Wij eten gestampte muisjes en smeerkaas.

- Eten jullie ook nog wel eens iets normaals?

- Ja hoor, zei het Dam-monument, hete bliksem, taai-taai, snert en soms drinken we oude klare.

- Gelukkig ben ik iets zuidelijker geboren, zei het Atomium.

Hierna arriveerde het beeld van Jezus Christus dat tot voor kort bovenop de Corcovadoberg bij de Braziliaanse stad Rio de Janeiro stond. Ook al was hij nu levend, nog steeds waren zijn armen gestrekt. Vooral journalisten van gelovige kranten hadden interesse in hem.

- Hoe denkt u het geloof te kunnen behartigen in deze wedstrijd? werd hem gevraagd.

Het Jezus Christus-beeld dacht een poos na en zei:

- Kunt u een dag zonder natuur?

- Wat heeft dat met de wedstrijd te maken? vroeg de vragensteller.

- Helemaal niets.

- Maar...

- En ook alles.

- We willen alleen weten of...

- Kunt u zonder uw huis? zei het beeld.

- Hoezo?

- Omdat dát de vragen zijn waar het nu om draait. En weet u waar het nog meer echt om draait?

- N... nee, zei de verwarde journalist.

- Dat je geen kriebel hebt. Kunt u even onder mijn oksel kriebelen, ik kan er zelf niet bij.

De rood wordende journalist kriebelde terwijl hij werd aangestaard door de menigte. Daarna liep het Jezus Christus-beeld rustig naar de ontvangstplek.

Intussen stond de Sfinx op het plein. Er werd hem gevraagd wat zijn strijdmethode was. Hij krabbelde door zijn manen en zei toen:

- Nou, ik geloof in de tactiek van de vijandigheid, de messen slijpen, zelf van A naar B te reizen, snap je, even listig als intelligent, maar ook even onvoorspelbaar als geniaal.

Er viel een stilte tot een moedige verslaggever vroeg:

- Wat bedoelt u daarmee?

- Hoe zit het met je vriend? vroeg de Sfinx.

- M'n vriend?

- Die kerel naast je.

- Wat is ermee?

- Hij zit alles van je over te schrijven.

De journalist keek naar de man naast hem die prompt zijn kladblokje achter zijn rug verborg.

- Nee, Hendrik, eerlijk niet, zei de man nerveus.

De journalist gaf de overschrijver een linkse directe, die, na het bloed van zijn mond te hebben afgeveegd, zelf reageerde met een karateschop. De Sfinx huppelde grinnikend naar het café terwijl de andere journalisten ze uit elkaar probeerden te halen.

Het duurde nog een poos voordat het volgende monument aankwam. Die moest dan ook helemaal uit Koeala Loempoer komen. Deze nieuwe glimmende toren was nog steeds ietsje groter dan de anderen, maar hij was dan ook, voor zolang dat duurt, de op twee na grootste toren ter wereld. Zijn tweelingbroer was in Maleisië achtergebleven.

- Denkt u iets aan uw lengte te hebben? vroeg een journalist.

- Hmmm hmmm... zei de toren van Koeala Loempoer.

- Waarom geeft u geen antwoord? vroeg de journalist.

- Omdat u nog geen geld heeft laten zien.

- Wat voor geld heeft u het over?

- Het geld dat mijn antwoorden waard is.

- Waarom wilt u dan geld?

- Hmmm hmmm...

Een andere journalist overhandigde de toren wat geld en vroeg toen:

- Vindt u uzelf de beste?

- Daarop zeg ik ja of nee.

- Waarvan hangt het antwoord af?

- Voor welke u het meest wilt betalen.

- Voor ja wil ik vijftig euro geven.

Het geld werd overhandigd.

- Ja, zei de toren van Koeala Loempoer en liep vervolgens zijn geld tellend naar het café.

De volgende deelnemer werd op een brancard binnengebracht: een stuk van de Berlijnse Muur.

- Denkt u enige kans te hebben? vroeg een verslaggever.

- Ik... ik ben alleen gekomen omdat dokter Zacharias mij opriep. Ik heb het idee dat ik hier niet thuishoor. Mijn tijd is geweest. En wat... wat voor een tijd was dat? Ik was een barrière tussen mensen die elkaar lief hadden. Ik... ik heb spijt van mijn daden, ontzettende spijt.

Het stuk Berlijnse muur barstte in tranen uit. De camera's snorden, de microfoons namen op, de pennen krasten.

- Weet u, weet u wat het is om... om... in de weg te staan? Ik ben een symbool van ruziezoekers. Niets om trots op te zijn. Nu ben ik ziek. Vínd jé hét gék?! Sommige delen van mij zijn als snelweg gebruikt. Ziet u de Eiffeltoren al omgebouwd als fietsbrug? Of het Vrijheidsbeeld als viaduct?

Weer barstte het stuk Muur in tranen uit. Iedereen zweeg gepast. Hij werd het caféterrein binnen gedragen.

De journalisten hadden hun favorietenlijst al klaar. De Eiffeltoren, het Vrijheidsbeeld, de Sfinx. Daar moest het van komen.

Toen iemand opmerkte dat de scheve toren van Pisa nog moest komen, haalden ze hun schouders op. Wat kon die nou bereiken?

 

 

[1] [2] [3]

 

Naar de homepage

Naar het nieuwste werk van Dorine van der Laack-Hendrikx

 

Site en teksten © Desatiricus.nl